Terug in de tijd naar Dar es Salaam, het knetterende bevrijdingslab van Julius Nyerere

Analyse

Hoe de Tanzaniaanse hoofdstad een ontmoetingsplek werd voor revolutionaire leiders en ideeën

Terug in de tijd naar Dar es Salaam, het knetterende bevrijdingslab van Julius Nyerere

Collage met portret van Julius Nyerere
Collage met portret van Julius Nyerere

Omar Ba

11 september 202621 min leestijd

Dar es Salaam was in de jaren '60 en '70 niet zomaar een hoofdstad. Het was een van de belangrijkste intellectuele en militaire knooppunten van de Afrikaanse 20ste eeuw. Julius Nyerere, de eerste president van postkoloniaal Tanzania, zou haar kneden tot een laboratorium van bevrijding en pan-Afrikanisme. Er werd iets nieuws gevormd: een politieke wereld waarvan de gevolgen tot diep in de 21ste eeuw voelbaar zouden blijven.

Portrettenreeks: Black Atlantic

Dit is het vijfde in een reeks portretten van belangrijke denkers uit de Black Atlantic, het netwerk van mensen, culturen en ideeën dat ontstond door de trans-Atlantische slavenhandel.

Deze portrettenreeks toont hoe Afrikaanse, Amerikaanse, Caraïbische en Europese invloeden elkaar kruisten en vermengden, en hoe ze een blijvende invloed hebben op heel wat culturele, artistieke en politieke bewegingen van vandaag.

Tanzania is een knooppunt waar veel zaken samenkomen: koloniale erfenissen, regionale revoluties en wereldwijde ideologische stromingen. En dat heeft veel, zoniet alles, te maken met de man die begin jaren '60 de eerste president van de postkoloniale natie werd: Julius Nyerere.

Tussen het einde van de koloniale periode en de jaren 1980 groeide de toenmalige hoofdstad, Dar es Salaam, uit tot een van de belangrijkste strategische en intellectuele centra van de Koude Oorlog op Afrikaans grondgebied. Bevrijdingsbewegingen, ballingen, diaspora-intellectuelen, revolutionaire netwerken: ze zijn hier allemaal gepasseerd op een of ander moment.

Om te begrijpen waar de man vandaan kwam die deze stad later zou vormgeven, moet je veel verder terug. Niet naar een hoofdstad, maar naar een gehucht aan de oostelijke oever van het Victoriameer: Butiama. Op 13 april 1922 valt daar zo'n hevige regen dat de oudsten van de Zanaki er meteen een teken in lezen. Het jongetje dat die dag wordt geboren, krijgt er zijn naam door: Kambarage, naar de voorouderlijke geest die in de regen huist. De naam Julius komt later, bij zijn doop in de katholieke kerk.

Zijn vader, Burite Nyerere, is dorpshoofd van de Zanaki, een van de allerkleinste volksgroepen van het toenmalige Tanganyika, en heeft tweeëntwintig vrouwen. Zijn moeder Mugaya is de vijfde van die vrouwen en amper vijftien wanneer ze met zijn vader trouwt. In dat enorme huishouden, tussen tientallen halfbroers en halfzussen, leert Kambarage iets dat hij nooit meer zal afleren: delen. Water, eten, aandacht, ruimte op de slaapmat.

Er waren, zo zou hij zich later herinneren, geen bijzondere voorrechten verbonden aan het feit dat hij de zoon van het hoofd was. Hij hoedt vee en geiten zoals ieder ander jongetje uit het dorp, ondergaat de Zanaki-besnijdenisrite, groeit op in een wereld waarin het dorp telt, niet het individu. Die ervaring, gevormd lang voordat hij ooit een schoolbank zou zien, blijft de kern van wat hij later ujamaa zal noemen: het Swahili-woord voor familieschap, voor met elkaar verbonden zijn. Hij zal het ooit optillen tot het fundament van een hele natie.

Op zijn twaalfde stuurt zijn vader hem naar school in Mwisenge, vijfendertig kilometer verderop. Hij legt die afstand te voet af. Niemand anders uit zijn dorp krijgt die kans. De Britse kolonisator schoolt bewust de kinderen van lokale hoofden, in de hoop het traditionele gezag op die manier voort te zetten onder een nieuwe vlag.

Wat niemand in Londen op dat moment vermoedt, is dat deze stille jongen uit Zanakiland, die thuis geen woord Engels hoort, ooit het lot van een hele natie in handen zal krijgen. Later gaat hij ook naar school in Tabora, Makerere en uiteindelijk Edinburgh. Het zijn precies die dubbele wortels, de orale wereld van Butiama enerzijds en de westerse scholing anderzijds, die van Nyerere maken wie hij wordt: iemand die twee werelden in zich draagt zonder zich ooit volledig aan een van beide over te geven.

Nyerere weigert de rol van mogelijke schakel tussen Oost en West. Zijn denken zoekt een derde weg: die van geen kant kiezen, omdat geen van beide kanten hem iets te bieden heeft dat de moeite waard is.

Jaren later, in juli 1963, staat hij op het gazon van het Witte Huis en wordt hij door president Kennedy met militaire eer ontvangen. Tanganyika is dan al onafhankelijk, en Nyerere is er president van. Eerder al, in 1955 en 1956, had hij zich tot de Trustschapsraad van de Verenigde Naties in New York gericht om voor die onafhankelijkheid te pleiten.

Zijn boodschap in die periode blijft in essentie dezelfde: Afrikaanse onafhankelijkheid mag niet verzanden in gefragmenteerde, afhankelijke staatjes, maar moet leiden tot echte politieke soevereiniteit en economische autonomie.

Zijn aanwezigheid op het wereldtoneel plaatst Nyerere onmiddellijk binnen de logica van de Koude Oorlog, waarin elke Afrikaanse leider wordt gelezen als een mogelijke schakel tussen Oost en West. Maar Nyerere weigert die rol. Zijn denken zoekt een derde weg: niet-gebondenheid als ideologische autonomie. De weg van geen kant kiezen, omdat geen van beide kanten hem iets te bieden heeft dat de moeite waard is.

Op 9 december 1961 wordt Tanganyika onafhankelijk. De overgang verloopt relatief rustig, maar onder de oppervlakte blijft alles fragiel. Nyerere zet zich onmiddellijk aan een lastige taak: een nationale identiteit smeden die boven etnische verdeeldheid uitstijgt. Het Swahili wordt daarbij niet zomaar een gemeenschappelijke taal. Het wordt infrastructuur, een instrument van staatsvorming.

Revolutionaire as

In de politieke architectuur van Oost- en Zuidelijk Afrika tussen 1960 en 1980 neemt Tanzania een centrale plaats in.

Die architectuur is op dat moment een systeem van informele blokken, gevormd door veiligheidslogica, dekolonisatie en ideologische rivaliteit. Rond Dar es Salaam ontstaat geleidelijk een revolutionaire as, die Tanzania verbindt met het Zambia van Kenneth Kaunda en het Mozambique van het Bevrijdingsfront (Frelimo). En via die band onrechtstreeks ook met het Angola van de Volksbeweging voor de Bevrijding van Angola (MPLA) en de bevrijdingsbewegingen in Rhodesië, Zimbabwe en Namibië.

Door deze ruimte circuleren wapens, militaire training en theoretische kaders. Daarbij wordt ook gekeken China, en in mindere mate naar de Sovjet-Unie en Cuba. In 1965 gaat Nyerere zelfs op staatsbezoek bij Mao Zedong. Wat weinigen weten, is dat een Belgisch zakenman met sympathieën voor de bevrijdingsbeweging die contacten met de Chinezen voorbereidt en faciliteert.

Tegenover dat revolutionaire blok staat een ander blok, gebouwd rond regimes die doorgaan voor conservatief – of die op zijn minst het systeem in stand houden dat de dekolonisatie achtergelaten heeft. Het Kenia van Jomo Kenyatta speelt hier een scharnierrol. Het wijst een radicale revolutionaire breuk af, maar onderhoudt tegelijk wél goede relaties met Dar es Salaam. Die zijn gestoeld op pragmatiek en moeten dienen om de veiligheid aan de grenzen te bewaken en regionale crisissen te kunnen beheren.

Tussen de allianties met de Sovjet-Unie en pure overlevingslogica zweeft het keizerlijke Ethiopië, en later het Derg-regime - dat de keizer ten val bracht.

Ook Somalië op zijn beurt was een geval apart. Het vormde een ideologische pool gebouwd rond de betwisting van koloniale grenzen en Somalisch irredentisme (ofte het toevoegen van alle gebieden waar etnische Somaliërs woonden). Daarmee stond het land lijnrecht tegen de architectuur die de Organisatie van Afrikaanse Eenheid verdedigde, met Nyerere en Kenyatta als haar voornaamste pleitbezorgers.

Revolutie, diplomatie en diaspora

Binnen die verdeling in blokken is Dar es Salaam veel meer dan enkel de hoofdstad van Tanzania. Ze doet ook dienst als transnationale politieke infrastructuur.

Tussen de jaren 1960 en 1970 wordt de stad een ruimte van revolutionaire diplomatie. Mensen uit bevrijdingsbewegingen, pan-Afrikaanse intellectuelen en figuren uit de Atlantische zwarte diaspora lopen er elkaar bijna in de weg, soms letterlijk in dezelfde straten. Frelimo, de South West Africa People's Organisation (Namibië), het ANC (Zuid-Afrika), de netwerken van het Zimbabwaanse nationalisme: ze vinden er allemaal onderdak. En de stad biedt tegelijk ruimte aan politieke, logistieke en ideologische vorming van militante kaders uit heel Zuidelijk Afrika.

Die centrale positie krijgt extra gewicht door de interactie met de Afrikaanse en Afro-Amerikaanse diaspora. De erfenis van W.E.B. Du Bois vormt het fundament van dit bevrijdingslab. Malcolm X komt er tijdens zijn reizen door Afrika. Walter Rodney, Stokely Carmichael (ook gekend als Kwame Ture), C.L.R. James: allemaal plaatsen ze Dar es Salaam binnen een wereldwijde circulatie van ideeën over zwarte bevrijding.

Drie dimensies komen hier samen, eigenlijk zonder dat iemand het zo gepland had: de Afrikaanse dekolonisatiestrijd, het marxistische en pan-Afrikaanse denken, en de burgerrechten- en Black Power-bewegingen uit de Verenigde Staten en de Caraïben.

De regionale context blijft ondertussen bijzonder onrustig. Oeganda wordt onafhankelijk in 1962, Kenia in 1963, en het Grote Merengebied verandert stilaan in een arena van geopolitieke competitie. De Verenigde Staten, de Sovjet-Unie, China: ze proberen allemaal voet aan de grond te krijgen in de nieuwe staten. En intussen gaan lokale elites op zoek naar een eigen model van staatsvorming in wat in feite een postkoloniale leegte is.

Eilandengroep Zanzibar volgt ondertussen een totaal andere historische logica, één die weinig te maken heeft met wat zich op het continent afspeelt. Het is al eeuwenlang een kruispunt in de Indische Oceaan, waar Afrikaanse, Arabische, Perzische en Indiase werelden samenkomen in een ingewikkelde handels- en machtsstructuur.

Onder het Omaanse sultanaat werd Zanzibar in de 19de eeuw een centrum van de specerijenhandel en een onmisbare schakel in de Oost-Afrikaanse slavenhandel. De sociale orde is er diep hiërarchisch: Arabische en Indo-Perzische elites domineren politiek en economisch over de Afrikaanse bevolking. Het Britse protectoraat heeft die structuren grotendeels intact gelaten, waardoor de sociale spanningen zich blijven opstapelen tot diep in de onafhankelijkheidsperiode.

Die spanningen ontploffen op 12 januari 1964, wanneer Abeid Amani Karume en de Afro-Shirazi Party het Sultanaat Zanzibar omverwerpen. Hun revolutie is antikoloniaal, sociaal en etnisch geladen, alle drie tegelijk. Ze ontmantelt de oude elite en zet een enorme demografische groei in gang. Karume wordt de eerste president.

In het licht van de Koude Oorlog wordt de nieuwe Volksrepubliek Zanzibar vrijwel onmiddellijk geherinterpreteerd als een mogelijk strategisch breukpunt in de Indische Oceaan. Dat maakt zowel Londen als Washington bijzonder ongerust.

Enkele maanden later, op 26 april 1964, beslissen Nyerere en Karume om Tanganyika en Zanzibar te fuseren, en zo wordt Tanzania geboren. Het is geen administratieve formaliteit, maar een geopolitiek compromis met drie doelen: interne stabilisatie, buitenlandse inmenging afweren én een pan-Afrikaans staatsproject verankeren.

Tanzania groeit uit tot een kruispunt van Afrikaans en diasporisch denken. Het idee van 'global black liberation' krijgt hier voor het eerst echt concreet vorm.

Vanaf dat moment groeit Tanzania uit tot een opmerkelijke staat: niet-gebonden, maar wel met een uitgesproken revolutionaire inslag. Dar es Salaam wordt het operationele centrum van de bevrijdingsstrijd in Zuidelijk Afrika. Het Frelimo uit Mozambique, het ANC uit Zuid-Afrika, SWAPO uit Namibië, ZANU en ZAPU uit Rhodesië en Zimbabwe: ze vestigen zich er en organiseren er hun operaties.

In oktober 1964 reist Malcolm X, op zijn tweede en langere Afrikareis na zijn breuk met de Nation of Islam, dan ook naar Dar es Salaam. Via de Zanzibarese revolutionair Abdulrahman Mohamed Babu krijgt hij een onderhoud met Nyerere. Drie uur lang praten ze, in het State House, over onder meer de Chinese kernproef en de plaats van voormalige koloniën in een wereldorde die hen lange tijd buitenspel had gezet.

Toevallig is ook Jomo Kenyatta, de eerste premier van het postkoloniale Kenia, op dat moment in de stad voor regionaal overleg. Malcolm X ontmoet ook hem.

Het zijn geen symbolische handdrukken en ontmoetingen. Deze contacten met Afrikaanse revolutionairen en staatshoofden versterken de band tussen de Afro-Amerikaanse burgerrechtenbeweging en de Afrikaanse onafhankelijkheidsstrijd. Ze voeden rechtstreeks Malcolm X's groeiende pan-Afrikanisme in de laatste maanden voor zijn dood. Wat hier broeit en groeit, is een reële politieke uitwisseling over zelfbeschikking, staatsvorming en zwart internationalisme.

De Guyaanse historicus Walter Rodney vindt in Dar es Salaam een heel ander soort thuis. Hij aanvaardt er in juli 1966 zijn eerste leerstoel aan de universiteit. Even gaat hij naar Jamaica, en dan keert hij van 1969 tot 1974 terug voor een langere en, achteraf bekeken belangrijkere, periode.

In 1972 publiceert hij er zijn invloedrijkste boek, How Europe Underdeveloped Africa. Het is een analyse van de koloniale onderontwikkeling van Afrika vanuit marxistisch en pan-Afrikaans perspectief.

Rodneys werk laat diepe sporen na bij Afrikaanse studenten en activisten. Hij draagt ook actief bij aan de radicalisering van het departement Geschiedenis van de Universiteit van Dar es Salaam, dat zich ontwikkelt tot een broeinest van marxistisch geïnspireerde studies over Afrikaanse bevrijding.

Stokely Carmichael, ook bekend als Kwame Ture, C.L.R. James, de erfenis van W.E.B. Du Bois: ze circuleren allemaal in deze transnationale ruimte van radicale politieke verbeelding. Tanzania groeit uit tot een kruispunt van Afrikaans en diasporisch denken. Het idee van 'global black liberation' krijgt hier voor het eerst echt concreet vorm.

Ujamaa-droom

Dit alles is in feite slechts één uiting van iets veel groters: het reële, soms bijna religieuze enthousiasme binnen Afro-Amerikaanse internationalistische kringen voor het Tanzania van Nyerere.

Met de Arusha-verklaring van 1967 introduceert Nyerere het Ujamaa-model, een eigen vorm van Afrikaans socialisme, als fundament van het postkoloniale Tanzania. Vanaf dan wordt Dar es Salaam een symbolisch bedevaartsoord voor honderden radicale Afro-Amerikanen en Caraïbische activisten. Tegen het einde van de jaren 1960 vestigt zich er ook een kleine Afro-Amerikaanse expatgemeenschap, onder wie Pete en Charlotte O'Neal. Aan de universiteit van Dar es Salaam zet het USARF, het University Students African Revolutionary Front, mee de schouders onder die Ujamaa-droom.

Het hoogtepunt van Ujamaa en van de pan-Afrikanistische uitwisseling valt samen met het Zesde Pan-Afrikaans Congres van 1974 in Dar es Salaam.

Maar de geestdrift blijft niet zonder wrijving. De hoop op een werkelijk transnationale politiek botst voortdurend met de soevereine logica van de Tanzaniaanse staat. Ujamaa is een mooie droom, maar botst op de economische realiteit en de nood om de staatsveiligheid te garanderen in een woelige regio en tijd.

Hoe Nyerere een regime mee omverwerpt

Binnen die context van snelle veranderingen ontwikkelt zich ook een netwerk van militante politieke actoren. Yoweri Museveni, de latere (en huidige) president van buurland Oeganda, is daarbinnen een van de meest invloedrijke.

Museveni studeert vanaf 1967 aan de Universiteit van Dar es Salaam, waar hij onder andere les krijgt van Walter Rodney. Daar vormen marxistische, pan-Afrikaanse en revolutionaire theorieën hem op een manier die hij zelf later als beslissend zal omschrijven. Hij bezoekt bevrijde zones in Mozambique, wat zijn ideeën over gewapende strijd alleen maar verdiept. In Tanzania begint hij zich later ook te organiseren tegen het regime van dictator Idi Amin in Oeganda. Hij legt er stilaan de kern van wat later het Front for National Salvation (Fronasa), zal worden, de rebellenbeweging die hij zal aanvoeren.

Na Amins machtsovername in 1971 radicaliseert de Oegandese oppositie in ballingschap, vrij snel zelfs. Nyerere biedt onderdak aan de afgezette president Milton Obote en aan verschillende Oegandese oppositiegroepen, waaronder Museveni's beweging. Vanuit Tanzania worden guerrillaoperaties voorbereid, trainingen opgezet, infiltraties in Oeganda uitgevoerd.

In september 1972 mislukt een eerste poging tot gewapende invasie in Oeganda compleet, en het Mogadishu-akkoord van oktober dat jaar verbiedt Tanzania formeel om nog als uitvalsbasis te dienen tegen Oeganda. Nyerere houdt zich daar niet helemaal aan: hij blijft de Oegandese ballingen oogluikend toelaten.

In 1973 formaliseert Museveni zijn Front for National Salvation. De militaire infrastructuur van deze diaspora-oppositie blijft zich, traag maar zeker, verder ontwikkelen in Tanzania en Mozambique.

Museveni's rol wordt pas echt cruciaal in de late jaren 1970. In oktober 1978 vallen Oegandese troepen de Tanzaniaanse regio Kagera binnen, en daarmee slaat het conflict om in een open oorlog. Nyerere mobiliseert het Tanzaniaanse leger en besluit niet alleen te verdedigen, maar het regime van Amin actief te vernietigen. Museveni en zijn Fronasa worden ingebed in de Tanzaniaanse militaire strategie, samen met andere Oegandese exilgroepen, en vormen zo de kern van de anti-Amincoalitie.

Het is in die context, in februari 1979, dat een jonge Rwandese balling met de naam Paul Kagame zich aansluit bij Museveni's Fronasa, op het moment dat de oorlog de stad Mbarara in West-Oeganda bereikt. Wat een toevallige ontmoeting tussen twee mannen in een oorlogszone lijkt, legt in werkelijkheid de kiem voor een politieke en militaire band die zich over de volgende decennia verder zou ontwikkelen. Eerst binnen Museveni's National Resistance Army, later in een heel andere, Rwandese context.

De oorlog die volgt, tussen 1978 en 1979, is een van die zeldzame gevallen in Afrika waarbij een buurland rechtstreeks een regime omverwerpt. Tanzaniaanse strijdkrachten trekken samen met Museveni's troepen via Zuid-Oeganda op naar de Oegandese hoofdstad Kampala. Wanneer Amin in april 1979 valt, betekent dat niet alleen het einde van een dictatuur. Het is ook het moment waarop Museveni verandert van guerrillaleider in centrale politieke speler voor Oeganda's toekomst.

Na de oorlog blijft de regio onrustig. Oeganda doorloopt een reeks overgangsregeringen, eerst onder Yusuf Lule en Godfrey Binaisa, dan de herinstallatie van Milton Obote, en uiteindelijk, in 1986, de machtsovername door Museveni zelf na een lange guerrillaoorlog. Hij ziet zichzelf, toen nog, als een bevrijder en put daarvoor rechtstreeks uit de ideeën en theorieën die hij opdeed in Tanzania in de jaren 1970. Het is een lijn die zelden expliciet getrokken wordt, maar daarom niet minder duidelijk is.

Vrijwillig aftreden

In Tanzania zelf blijven intussen de eigen interne spanningen bestaan. Zanzibar evolueert onder Karume, de eerste president, richting steeds autoritairder bestuur, waarbij postrevolutionaire controlemechanismen alleen maar verstevigd worden. De moord op Karume in 1972 maakt abrupt een einde aan die eerste revolutionaire fase. Het onderstreept hoe fragiel de nieuwe staatsstructuur in werkelijkheid is.

In de jaren 1980 komt Tanzania net als veel andere landen onder zware economische druk. Het Ujamaa-model van Nyerere, in 1967 geïntroduceerd, krijgt forse kritiek en wordt geleidelijk bijgestuurd onder internationale financiële druk.

Toch blijft Nyerere's politieke betekenis grotendeels intact. Zijn nalatenschap zit niet in economische cijfers, maar elders: in staatsvorming, in regionale stabiliteit, in zijn rol als architect van een pan-Afrikaanse bevrijdingsruimte die zonder hem waarschijnlijk nooit had bestaan.

In november 1985 treedt Nyerere vrijwillig af, zonder zich persoonlijk te hebben verrijkt en zonder enige poging tot dynastieke continuïteit. Daarmee sluit Nyerere een uitzonderlijk hoofdstuk in de postkoloniale Afrikaanse geschiedenis af. Op een continent waar machtswisselingen doorgaans verlopen via staatsgrepen, gewapende opstanden of levenslang presidentschap kiest hij voor een ordentelijk, vrijwillig vertrek - al blijft hij tot 1990 partijvoorzitter om de overgang te begeleiden.

Die vreedzame machtsoverdracht, samen met zijn weigering om zich te verrijken, geldt voor velen als het meest onderscheidende kenmerk van zijn hele nalatenschap.

Tanzania en Oeganda staan, ondanks hun gedeelde oorsprong in het revolutionaire Dar es Salaam van de jaren 1970, voor twee compleet tegengestelde antwoorden op de postkoloniale machtsvraag. En het contrast met Museveni's pad valt scherp uit. De voormalige guerrillaleider grijpt in januari 1986 de macht, aan het hoofd van het National Resistance Army, en breekt daarmee met de Oegandese traditie van machtswisseling via staatsgreep of burgeroorlog. Vandaag, veertig jaar later, regeert hij het land nog steeds.

Waar Museveni's regime in de jaren 1980 en 1990 nog gevierd wordt als stabilisatie na de chaos van Amin en Obote, verschuift dat langzaam maar onmiskenbaar naar een steeds persoonlijker machtsuitoefening. In 1995 krijgt Oeganda een grondwet met een beperking van het presidentschap tot twee ambtstermijnen, en een leeftijdsgrens van vijfenzeventig jaar. In 2005 laat Museveni het parlement die termijnbeperking schrappen. In 2017 verdwijnt ook de leeftijdsgrens, waardoor hij zich in 2021 en opnieuw in 2026 verkiesbaar kan stellen.

De man die ooit in Dar es Salaam de marxistische en pan-Afrikaanse theorieën van Walter Rodney bestudeerde, die zich tegen de dictatuur van Amin organiseerde: hij wordt voor heel wat critici en waarnemers zélf het voorbeeld van precies het soort langdurig, persoonsgebonden bewind dat hij in zijn jeugd bestreed.

Ketting van zwarte culturen

Het Tanzaniaanse moment van de jaren 1960 en 1970 is één schakel in een veel langere ketting, een ketting die intussen bekend staat als de Black Atlantic: het samenkomen van zwarte culturen in Afrika en aan beide kanten van de Atlantische Oceaan.

Die ketting begint, lang voor Dar es Salaam, bij W.E.B. Du Bois, die vanaf het eerste Pan-Afrikaans Congres in 1900 als geen ander de lotsverbondenheid van Afrika en zijn diaspora overdenkt en theoretiseert.

Ze loopt door de Harlem Renaissance van de jaren 1920, waar Afro-Amerikaanse dichters en schrijvers voor het eerst een eigen, trotse culturele taal vinden.

Vervolgens steekt ze de Atlantische Oceaan over naar Parijs, waar Paulette Nardal in de jaren 1920 een visionaire architecte werd van broodnodige verbindingen en vernieuwende bewegingen in de mondiale zwarte diaspora. Waar zich met de négritude van Césaire en Senghor in de jaren 1930 een soortgelijke herwaardering voltrekt, dit keer in het Frans. En waar Alioune Diop in 1947 met Présence Africaine een tijdschrift en - vanaf het Congres van Zwarte Schrijvers en Kunstenaars in 1956 - een heel netwerk smeedt rond datzelfde idee.

De Black Atlantic bereikt zijn meest politieke vorm wanneer Kwame Nkrumah, eenmaal president van het onafhankelijke Ghana, in januari 1961 een handvol Afrikaanse staatshoofden samenbrengt in Casablanca rond een radicaal project van continentale eenmaking. Een project dat het uiteindelijk verliest van de voorzichtigere lijn van Nyerere en anderen, maar dat de droom van een verenigd Afrika voorgoed op de politieke agenda zet.

Van Du Bois tot Nkrumah, van Harlem tot Présence Africaine, van négritude tot Casablanca: het is steeds dezelfde vraag die terugkeert, in steeds nieuwe taal en op steeds nieuwe plekken.

Wat zou er, na dit hele Black Atlantic-experiment, nog geboren kunnen worden? Misschien is het antwoord niet langer een nieuwe ideologie of een nieuw congres, maar iets eenvoudigers en tegelijk veeleisenders: een Afrika dat zijn diaspora niet meer enkel nodig heeft als symbool van solidariteit, maar als reële partner in kapitaal, kennis en macht. Een diaspora die zich niet meer tevreden stelt met bedevaart naar Dar es Salaam of Accra, maar mee aan het stuur kan staan van wat er na de natiestaat komt.

Word proMO*

MO* heeft geen betaalmuur en is er voor iederéén. Dat kan alleen dankzij de steun van proMO*s, want diepgravende journalistiek kost tijd en geld.

Je helpt ons groeien en zorgt ervoor dat we al onze verhalen gratis kunnen verspreiden. Je ontvangt vier keer per jaar MO*magazine én extra edities.

Je bent gratis welkom op onze evenementen en maakt kans op gratis tickets voor concerten, films, festivals en tentoonstellingen.

Je kan in dialoog gaan met onze journalisten via een aparte Facebookgroep.

Je ontvangt elke maand een exclusieve proMO*nieuwsbrief.

Je volgt de auteurs en onderwerpen die jou interesseren en kan de beste artikels voor later bewaren.

Per maand

€4,60

Betaal maandelijks via domiciliëring.

Meest gekozen

Per jaar

€60

Betaal jaarlijks via domiciliëring.

Voor één jaar

€65

Betaal voor één jaar.

Ben je al proMO*

Log dan hier in