“‘Een staatswaarborg voor de nieuwe grondstoffenrace’

© Wies Willems / Ontwerp: MO*

© Wies Willems / Ontwerp: MO*
Met een staatswaarborg van 26 miljoen euro verzekert België de “germaniumdeal” van Umicore in Congo. Op het herwinnen van kostbare grondstoffen uit een berg mijnafval valt weinig aan te merken, schrijft expert natuurlijke rijkdommen Wies Willems, maar de deal legt wel twee stille verschuivingen bloot: van klimaatdoelen naar militarisering, en van internationale solidariteit naar economische diplomatie.
Net voor de federale regering met vakantie ging, pakte ze nog uit met een staatswaarborg van 26 miljoen euro voor de redding van het Congolese mijnbedrijf STL. Dat bedrijf beheert een mijnterril nabij de stad Lubumbashi, die de kostbare grondstof germanium bevat.
Germanium is essentieel voor de productie van onder meer infraroodcamera’s en wapenvizieren. De Belgische multinational Umicore bezit specifieke expertise in de verwerking van de grondstof en zou volgens onderzoek van De Morgen ook geraffineerd germanium leveren voor de bouw van Amerikaanse F-35-gevechtsvliegtuigen.
Umicore werkt al langer samen met STL, maar krijgt nu exclusieve toegang tot de grondstof. Concreet geeft Umicore een prefinanciering aan STL om de ontginning op te starten. De overheid, via kredietverzekeraar Credendo, dekt het financieel risico af.
Precieze details over de staatssteun zijn nog niet publiek bekend. Op het eerste gezicht valt er weinig aan te merken op het herwinnen van kostbare grondstoffen uit een berg mijnafval. Ook voor de geopolitieke positie van België en Europa lijkt het project alleen maar goed nieuws, want het helpt onze afhankelijkheid van China te verminderen.
Toch blijven er verschillende vragen. Welke voorwaarden koppelt de regering aan de waarborg? Wie houdt toezicht op de naleving van de overeenkomst? En wat levert de ontginning van de afvalberg precies op voor de lokale bevolking? Belgische én Congolese burgers hebben recht op maximale transparantie over deze miljoenengarantie, benadrukken Congolese ngo’s zoals Afrewatch.
Van klimaatdoelen naar militarisering
De STL-deal is ook een illustratie van enkele bredere evoluties die meer publiek debat verdienen. Een eerste is een verschuiving in de beleidsprioriteiten van Europese landen: van het veiligstellen van de toevoer van kritieke grondstoffen voor klimaatdoelstellingen (technologieën voor hernieuwbare energie) naar strategische defensiebelangen.
In die context kadert ook de samenwerking met betrekking tot kritieke grondstoffen die twaalf NAVO-landen (waaronder België) begin juli aankondigden. Door gezamenlijke voorraden aan te leggen willen de NAVO-leden kwetsbaarheden in hun toeleveringsketens aanpakken. Federaal minister voor defensie Theo Francken reageerde dat ‘meer bevoorradingszekerheid het gemakkelijker zal maken voor de eigen defensie- en wapenbedrijven om nieuwe investeringen te plannen’.
Een voorkeursbehandeling voor de defensiesector is natuurlijk niet nieuw, net zomin als de jacht op grondstoffen voor militaire doeleinden. Ook in Europa waait met de huidige geopolitieke onrust een nieuwe wind. Hoewel de Europese Commissie haar Critical Raw Materials Act (CRMA) aanvankelijk ontwierp als een onderdeel van de Green Deal, lobbyden defensiebedrijven actief om bepaalde grondstoffen door de verordening als ‘strategisch’ te laten bestempelen.
Zoals de onderzoeksngo IPIS schrijft, zijn er duidelijke indicaties dat deze ‘strategische grondstoffen’ eerder militaire doeleinden dienen dan de energietransitie, bijvoorbeeld de grote overlap tussen de CRMA-lijst en de NAVO-lijst van cruciale grondstoffen voor defensie. De toekenning van strategische projecten onder de CRMA (die Europees geld ontvangen) gaat bovendien gepaard met een groot gebrek aan transparantie.
De defensielobby slaagde er ook in een uitzonderingsregeling te verkrijgen in de Europese due diligence-richtlijn (CSDDD), die grote bedrijven verplicht om mensenrechtenschendingen over hun hele waardeketen aan te pakken. De Amerikaanse regering blijft ondertussen druk zetten op de Europese Commissie om deze wetgeving nog verder te ontmantelen.
Het illustreert hoe duurzaamheidsdoelstellingen en aansprakelijkheid van bedrijven steeds meer onder druk komen te staan, zonder breed democratisch debat. De bezorgdheid om de veiligheid van Europa is legitiem en meer strategische autonomie van de EU is noodzakelijk. Maar een kortzichtige focus op de toelevering van kritieke grondstoffen voor defensiebelangen verengt de veiligheidsuitdaging tot militarisering. Op lange termijn biedt een beleid dat planetaire grenzen en mensenrechten centraal stelt de beste veiligheidsgaranties. De vraag hoe we (eindige) grondstoffen als samenleving prioritair willen besteden, verdient dan ook volledige transparantie en een breder maatschappelijk debat.
Verantwoord langetermijnbeleid houdt bijvoorbeeld in dat je de toeleveringsketens van cruciale sectoren zoals hernieuwbare energie voorrang geeft, met de bestrijding van de klimaatcrisis als prioriteit. Maar ook dat je de algemene vraag naar grondstoffen zoveel mogelijk terugdringt in andere economische sectoren. Echte strategische autonomie betekent immers niet alleen minder afhankelijkheid van China. Het houdt ook in dat de EU haar eigen duurzaamheidsambities aanhoudt en niet buigt voor Amerikaanse of andere lobbybelangen.
Economische diplomatie als nieuw paradigma
Ten tweede roept het STL-verhaal vragen op over de manier waarop in het Belgische buitenlandbeleid de grenzen vertroebelen tussen economische diplomatie en internationale (ontwikkelings)samenwerking. In tijden van stevige besparingen op het budget voor internationale solidariteit zetten de federale defensie- en buitenlandministers miljoenen opzij voor het Congo-project van een grote Belgische onderneming. Dat doet op z’n minst de wenkbrauwen fronzen.
Ons land volgt daarmee een bredere Europese tendens, waarbij de geopolitieke Global Gateway-agenda – gericht op publiek-private samenwerking rond infrastructuur, energie, enzovoort – de nieuwe richting van internationale samenwerking bepaalt. ‘Wederzijds voordelige partnerschappen’ is de nieuwe mantra, maar voorlopig lijken nieuwe initiatieven toch vooral de eigen Europese bedrijfsbelangen te dienen.
Zo is er ook de Belgische belangstelling voor de omstreden Lobito Corridor, een spoorwegverbinding die grondstoffen zoals kobalt en koper vanuit Congo vlotter moet vervoeren en vervolgens exporteren vanuit de Angolese havenstad Lobito. Het project dreigt te leiden tot de verdrijving van duizenden mensen en de vernietiging van kwetsbare biodiversiteit. De duurzaamheidscriteria voor de financiering van dergelijke projecten zijn onduidelijk, net als de potentiële meerwaarde voor de lokale bevolking. Ook de toegang tot informatie en inspraak voor ngo's blijft beperkt.
Wat met de ondersteuning van de Congolese middenveldorganisaties die opkomen voor corruptiebestrijding, voor de rechten van lokale gemeenschappen en mijnwerkers? Zullen zij in de toekomst nog kunnen rekenen op de Belgische internationale samenwerking? Uiteraard is de private sector een belangrijke partner in de aanpak van mondiale uitdagingen. Maar die partnerschappen moeten dan wel kaderen in een echte langetermijnstrategie en bindende mensenrechten- en milieugaranties bevatten. Daarnaast mag bedrijfssteun niet in de plaats komen van broodnodige middelen voor ondersteuning van de civiele maatschappij. Anders dreigen projecten zoals dat van STL koloniale patronen opnieuw te reproduceren.
Lees ook
Ontvang het beste van MO* rechtstreeks in je mailbox
Schrijf je nu in op onze gratis nieuwsbrieven en wij houden je op de hoogte van wat er gaande is in onze mondialiserende en snel veranderende wereld.




