Meer jobs en meer kansen, maar niet voor alle Marokkanen

Reportage

Ongelijkheid blijft, ondanks florerende industrie en diensten

Meer jobs en meer kansen, maar niet voor alle Marokkanen

arbeiders aan een band in een aurtofabriek
arbeiders aan een band in een aurtofabriek

Waar staat de grootste Renaultfabriek ter wereld en zijn er de voorbije tien jaar een miljoen nieuwe jobs bijgekomen? In Marokko, jawel. Toch zien veel Marokkaanse jongeren geen toekomst in eigen land.

Ik ontmoet vertegenwoordigers van het kritische middenveld in Casablanca, met 5 miljoen inwoners veruit Marokko’s grootste stad. Al ruim een uur praten we over de sociale tekortkomingen van de Marokkaanse samenleving. Over de grote informele sector, waarin mensen zonder contract werken, voor een prikje en zonder sociale bescherming. Over de sloop van de laatste bidonvilles van Casablanca, met het oog op de komst van het WK voetbal in 2030, en hoe mensen daardoor soms dakloos worden. Of over het feit dat ze met ons niet zomaar een coöperatie in ‘de wijken’ kunnen bezoeken zonder toestemming van de veiligheidsdiensten. Er zouden achteraf represailles kunnen worden genomen tegen die coöperatie.

‘Allemaal juist. En toch,’ zegt Sarah (niet haar echte naam), een jonge vrouw van Action femmes des Associations des Quartiers du Grand Casablanca, ‘kunnen we niet ontkennen dat er voor jongeren reële kansen verbonden zijn aan de transformatie.’ Ook Hassan Dafir ontkent dat niet. Hij is coördinator van IFAAP, een initiatief voor de vorming en begeleiding van buurtorganisaties van Casablanca. Maar hij vindt wel ‘dat we de maquillage moeten wegnemen waarmee de overheid alles schoner wil maken dan het is.’

Het hoge woord is eruit: transformatie. Nogal wat Marokkanen hebben het gevoel dat hun land een transformatie beleeft, naar een land met een betere infrastructuur, nieuwe soorten van industriële tewerkstelling en meer welvaart. Zelfs de marxistisch denkende vakbondsman Boutayeb Bouchkhachakh, die de wereld begrijpt als de zoektocht van het kapitaal naar de grootste winst, neemt het woord in de mond.

De Marokkaanse economie groeit, volgens het laatste rapport van het Internationaal Muntfonds (IMF), elk jaar met 4 tot 5 procent, terwijl de bevolking met minder dan 1 procent toeneemt. Mocht die inkomensgroei gelijk verdeeld worden, dan zou elke Marokkaan zijn inkomen met 3 tot 4 procent per jaar zien toenemen. Maar dat is niet het geval.

‘Momenteel werken 7000 mensen in de Renaultfabriek en 11.000 bij de directe toeleveraars.’
Ahmed Bahnis, vakbond UMT

De inkomensverdeling is ongelijk, ziet ook Molay Laghrari, general manager bij Tuyauto, dat uitlaten levert aan de Marokkaanse Renaultfabrieken. ‘Een inclusieve aanpak is onmogelijk zonder de vorming van onze bevolking. Het openbaar onderwijs schiet tekort. 2 van de 37 miljoen Marokkanen hebben geen werk of volgen geen opleiding. Marokko is een liberaal land, maar dan in de darwiniaanse betekenis: zeer hard voor wie niet mee kan.’

Die ongelijkheid heeft diepe wortels. Anders dan de meest succesvolle “ontwikkelingslanden” – Taiwan, Zuid-Korea, China, Ethiopië – koos Marokko nooit voor landherverdeling en ondersteuning van kleine boeren. Net als in de koloniale tijd geniet vooral een beperkte elite van grootgrondbezitters overheidssteun, bijvoorbeeld via irrigatieprojecten.

Onder die elite: koning Mohamed VI zelf, eigenaar van ’s lands grootste landbouwbedrijf, Les Domaines Agricoles. Op die grote boerderijen werken honderdduizenden dagloners aan karige lonen. Zij zagen de voorbije jaren veel banen verloren gaan door mechanisering. Armoede en werkloosheid op het platteland doen mensen naar de steden trekken. Daar dromen ze van emigratie naar Europa. Tenzij ze werk vinden in andere sectoren in eigen land, zoals de telecom of de industrie, want daar werden de voorbije jaren ook heel wat banen gecreëerd.

Beeld van een moderne stad

Mocht de inkomensgroei gelijk verdeeld worden, zou iedere Marokkaan zijn inkomen met 3 tot 4 procent per jaar zien toenemen. Maar dat is niet het geval.

Grootste Renaultfabriek ter wereld

Een cruciale hefboom om jobs te creëren in de Marokkaanse industrie is de vrije toegang tot de Europese markt. Dat is nergens zo zichtbaar als in Tanger, vanwaar je Europa ziet liggen. De stad huisvest de grootste Renaultfabriek ter wereld. 24 uur op 24 rolt er een wagen per minuut van de band, waarna die de trein op wordt gezet naar de haven van Tanger Med, de grootste haven van Afrika, 33 kilometer verderop. ‘De aanleg van dat spoor was voor ons een voorwaarde om de fabriek hier te bouwen’, zegt algemeen directeur Miguel Olivier Boquera.

Renault kreeg ook gratis grond en vijf jaar vrijstelling van belastingen. ‘De fabriek is op de export gericht’, gaat hij verder. ‘In de eerste plaats naar de EU-markt. 90 procent wordt uitgevoerd.’ De wagens komen, net als andere industrieproducten, tariefvrij de Europese Unie binnen, dankzij het associatieverdrag tussen Marokko en de EU.

Wanneer ik Boquera vraag naar de andere voordelen van deze productiesite, benadrukt hij ‘het ecosysteem van toeleveraars. Dat bouwt 65 procent van alle onderdelen, behalve de motor en de versnellingsbak, in Marokko. Dat is doorslaggevend, en tegen 2030 moet dat 75 procent zijn.’ Boquera wil het niet hebben over de hoogte van de lonen en of dat al dan niet een rol speelt in de keuze voor Marokko.

‘Momenteel werken 7000 mensen in de Renaultfabriek en 11.000 bij de directe toeleveraars’, vertelt Ahmed Bahnis, de algemeen secretaris van vakbond UMT, de Union Maroccain des Travailleurs. ‘De lonen in de assemblage liggen tussen de 1300 en 1700 euro. Ook dekt de gezondheidsverzekering 75 procent van alle zorgkosten van de werknemers en hun gezin. Het bedrijf zorgt tevens voor vakantievoorzieningen en allerlei premies.’

Bahnis benadrukt de authentieke sociale dialoog bij Renault. ‘Als we er niet uitraken, halen we de gouverneur erbij. Dat gebeurde onlangs nog bij overleg over de dertiende maand, die we uiteindelijk binnenhaalden.’

Het is duidelijk dat Renault naar Marokkaanse normen goede arbeidsvoorwaarden biedt. Het doet ook inspanningen om personeel op te leiden. Momenteel produceert Renault 400.000 wagens in Marokko, op een productiecapaciteit van 500.000. Ongeveer evenveel wagens rollen van de band in de fabriek van Stellantis (Peugeot, Citroën, Fiat en Chrysler) in Kenitra, een kuststad tussen Tanger en Casablanca. Daarnaast investeren diverse Chinese bedrijven miljarden euro’s in de productie van autobatterijen in Marokko. De autobranche in heel brede zin zou goed zijn voor 200.000 banen in Marokko, stelt Boquera.

Ook opvallend is dat de Renaultvestiging in Tanger de meest duurzame van de groep is. Ze haalt bijvoorbeeld 70 procent van haar stroom uit windmolens en de rest uit biomassa. ‘Als jongste Renaultvestiging werd ze ontworpen in functie van hedendaagse duurzaamheidsnormen’, aldus Boquera. Renault neemt stroom af van een vlakbij gelegen windpark van de staat. Marokko beschikt over een enorm potentieel aan wind- en zonne-energie. Dat kan in de toekomst een grote troef worden om een groene industrie uit te bouwen.

Ook lagere lonen maken Marokko aantrekkelijk, blijkt uit een ander voorbeeld. Vlamingen en Nederlanders met een Marokkaanse achtergrond bellen vanuit Marokkaanse callcentra naar Vlaanderen en Nederland. ‘Ze verdienen er 800 tot 1200 euro, al naargelang hun ervaring. Dat volstaat om goed te leven in Marokko’, zegt een Marokkaanse Ronsenaar die mensen in zulke callcenters kent. Ook het toerisme nam een hoge vlucht de voorbije jaren. Het is nu de tweede pijler van de groeiende dienstensector.

‘Veel mensen verdienen hier driehonderd euro per maand. Daarvan is het moeilijk leven.’

In 2030 komt het WK voetbal naar Marokko. Met het oog daarop zal Marokko, volgens IMF-cijfers, 11,9 procent van zijn nationaal inkomen uit 2024 investeren in betere (spoor)wegen, luchthavens, stadions en stedelijke en toeristische infrastructuur.

Die grote werken leiden ook tot frustraties bij jongeren, die zich in september 2025 in grote manifestaties afvroegen waarom er niet meer geïnvesteerd wordt in onderwijs en zorg in plaats van in voetbalstadions. De overheid reageerde repressief. ‘Veel jongeren die toen op straat kwamen, zitten nog altijd gevangen’, getuigt Hassan Dafir.

vrouwen collecteren water aan een openbare kraan

Douar Shalouh, een Amazigh dorpje dat niet erkend wordt door de overheid. Daardoor heeft het geen stromend water, elektriciteit of onderwijs.

Het plafond van 300 euro

De automobielsector van Marokko bloeit en het land levert hightechproducten aan luchtvaartgigant Airbus. We nemen in Tanger de hogesnelheidstrein, die ons in twee uur naar Casablanca brengt. Je zou je kunnen afvragen waarom Marokkaanse jongeren hun leven riskeren in een gevaarlijke overtocht naar Europa, zoals deze zomer, toen zo’n 60.000 mensen naar de Spaanse enclave Ceuta wandelden of zwommen.

Zo verbazend is dat niet. ‘Laat je niet verblinden door Renault,’ zegt onze taxichauffeur, een hoogopgeleide man. ‘Veel mensen verdienen hier driehonderd euro per maand. Daarvan is het moeilijk leven.’ Die realiteit blijkt uit het wedervaren van Abdel. Hij werkte in een succesvol restaurant in Rabat, waar hij een maandloon van 200 euro plus fooien verdiende. ‘De huur in Rabat is heel hoog, daardoor hield ik enkel de fooien over om van te leven. Later ging ik met twee collega’s een woning delen buiten Rabat. Daarmee daalde mijn woonkost naar honderd euro per maand, maar verloor ik ook honderd euro aan transport.’

Abdel is nu verhuisd naar zijn geboortestreek in het noordoosten van Marokko, waar hij werkt in een ijssalon in het toeristische kuststadje Saïdia. Daar ontvangt hij driehonderd euro maandloon en mag hij in een kamer van zijn baas wonen. Fooien zijn er hier amper, omdat Saïdia buiten het seizoen verlaten is.

Als laaggeschoolde werknemer lijkt Abdel tegen een loonplafond aan te lopen. Dat heeft te maken met de structurele situatie op de Marokkaanse arbeidsmarkt. Het IMF-rapport van 2026 over Marokko gewaagt van een kwart van de actieve bevolking dat werkloos is of ondertewerkgesteld. Marokko heeft volgens datzelfde rapport sinds 2019 weliswaar bijna een miljoen banen gecreëerd in de industrie en vooral in de dienstensector, maar er gingen evenveel banen verloren door de mechanisering van de landbouw. Die had bovendien ook zwaar te lijden onder aanhoudende droogte tussen 2020 en 2025.

De tewerkstelling in Marokko is volgens het laatste Wereldbankrapport over Marokko het voorbije decennium toegenomen met 1,6 procent, maar de actieve bevolking is gegroeid met 11 procent. Daardoor verkeren werkgevers meestal in een sterke positie: er zijn zoveel werkzoekenden dat ze zich kunnen permitteren lage lonen te betalen.

Krakers en bedoeïenen

Hetzelfde speelt in het oostelijke stadje Jerada, dat zwaar leed onder de sluiting van de steenkoolmijn rond 2000. Tegenwoordig wordt steenkool uit Canada ingevoerd om de plaatselijke energiecentrale te voeden. In de oude woningen, waar vroeger het Europese management van de steenkoolmijn woonde, treffen we Hamid. Hij werkt in de energiecentrale. ‘Daar zweeft nogal wat koolstof rond. Dat baart me zorgen, want mijn vader overleed aan stoflong.’

Hij krijgt een maandloon van 300 euro. ‘Dat is weinig,’ vindt hij, maar het helpt dat hij hier als kraker gratis kan wonen. ‘Er is hier niet veel werk’, zucht hij. Dat verklaart waarom jongeren, 25 jaar na de sluiting, nog altijd illegaal in de oude mijnen naar steenkool graven, die ze dan doorverkopen aan de Chinese uitbater van de kolencentrale. ‘Dat is levensgevaarlijk en verboden, maar jongeren zien geen alternatief.’

Wanneer we terugrijden naar Oujda zien we een tent in de uitgestrekte vlakte. Bedoeïenen, laten die schapen en geiten grazen op schrale staatsgronden. We mogen hun tent binnenkomen. Een baby hangt in een wiegje aan het dak. De vrouw des huizes wil ons tot elke prijs eieren en melk schenken. Het gezin maakt zich klaar om vele schapen te leveren aan de stedelingen voor het aanstaande Offerfeest.

Bedoeïnen laten schapen en geiten grazen op schrale staatsgronden. Vooral een beperkte elite van grootgrondbezitters geniet overheidssteun.

Bedoeïnen laten schapen en geiten grazen op schrale staatsgronden. Vooral een beperkte elite van grootgrondbezitters geniet overheidssteun.

Informele nederzettingen en tweede verblijven

In de velden rond Berkane, ten noorden van Oujda, houden we halt bij Douar Shalouh. Dit dorpje werd stap voor stap gebouwd door dagloners, vooral Amazigh, die hier al jaren fruit en groenten oogsten. De Marokkaanse staat erkent het niet als dorp – het heeft ook geen naam op Google Maps – waardoor er geen stromend water, elektriciteit en onderwijs zijn.

De inwoners vragen ons al snel of wij niet voor elektriciteit kunnen zorgen. ‘We ijveren daar al jaren voor. Zonder succes. De overheid wil ons hier weg, maar dat willen we niet. Wij verdienen 25 euro per dag, maar we hebben niet elke dag werk. In een maand kunnen we tot 300 euro verdienen. Als we moeten verhuizen, moeten we wellicht huur en vervoerskosten betalen. Ons inkomen zal dan niet meer volstaan om rond te komen’, zegt een van de woordvoerders van het dorp.

Hun situatie voelt erg kwetsbaar aan. We zijn in ijltempo door het dorp gelopen, maar binnen het half uur daagt een vertegenwoordiger van de staat op om ons te zeggen dat we toestemming nodig hebben om hier te fotograferen. We doen ons voor als toeristen. De Marokkaanse overheid is niet gesteld op nieuwsgierige bezoekers die vragen stellen.

Dertig kilometer verderop, in Saïdia, zien we een heel ander Marokko. In het kuststadje zijn de voorbije jaren op grote schaal vakantiewoningen gebouwd, die door duizenden Marokkanen gekocht werden als tweede verblijf. Je kan Saïdia beschouwen als een spaarpot van de groeiende Marokkaanse middenklasse.

Saïdia en Douar Shalouh tekenen de Marokkaanse realiteit. Heel wat Marokkanen hebben sociale vooruitgang geboekt, maar vele anderen blijven achter in een precair bestaan met weinig kansen.

Ontwikkelingseconoom Joe Studwell vergelijkt de Marokkaanse vooruitgang met die van Oost-Aziatische landen in zijn boek How Africa works (2025). Hij relativeert het Marokkaanse succes: ‘Met lonen die lager zijn dan in China en Oost-Europa en met goede toegang tot de Europese markt, die vlakbij ligt, zou Marokko honderdduizenden industriebanen moeten kunnen scheppen.’ Lees: met een sterker beleid zou er meer mogelijk zijn.

Logo of Fonds Pascal Decroos voor Bijzondere Journalistiek, with stylized "pd" in a pink square and text in bold pink font.

Dit artikel kwam tot stand met steun van het Fonds Pascal Decroos voor bijzondere journalistiek

Deze reportage werd geschreven voor MO*161, het herfstnummer van MO*magazine. Vind je dit artikel waardevol? Word dan proMO* voor slechts 4,60 euro per maand en help ons dit journalistieke project mogelijk maken, zonder betaalmuur, voor iedereen. Als proMO* ontvang je het magazine in je brievenbus én geniet je tal van andere voordelen.