De geschiedenis van bias in onze journalistiek

Analyse

De geschiedenis van bias in onze journalistiek

een stapel kranten
een stapel kranten

Bette Dam, Myrthe Timmermans

03 april 202611 min leestijd

De verslaggeving over de genocide in Gaza of de aanval op Iran creëert vandaag ophef. Het is verhelderend om te analyseren hoe journalisten over een eerdere strijd tegen “terreur” rapporteerden: tijdens Amerika’s langste oorlog, namelijk de oorlog in Afghanistan. Onderzoekster Bette Dam bestudeerde voor haar proefschrift vanuit welk perspectief journalisten verslag hierover uitbrachten. Spoiler: er zit een vooroordeel in.

Wat weinig mensen weten is dat de oorlog in Afghanistan eigenlijk al na een paar maanden onderhandelen over was. Op 5 en 6 december 2001 was Al Qaida verdwenen, een groep waar de Taliban niet goed mee overweg kon. Tegelijkertijd, te midden van het mediakabaal over de zogenaamde Amerikaanse War on Terror, zochten én vonden de Taliban-top en de net aangestelde interim-president Hamid Karzai elkaar. Ondanks die toenadering werd het toch oorlog.

Het lag ‘m niet aan Karzai. Na het laatste Taliban-overleg over de overgave, in het Zuid-Afghaanse district Shah Wali Kowt, klapte de nieuwe president Karzai zijn satelliettelefoon open en vertelde de internationale media openlijk dat ‘zijn broeders’, de Taliban, zich hadden overgegeven na intensieve onderhandelingen.

Veel Taliban-leden deden dat via brieven een voorwaarde van Karzai en keerden terug naar huis. Anderen weken uit naar Pakistan, waar ze kleine bedrijfjes begonnen, zoals telefoonwinkels. Toch voelden velen zich daar onveilig: het Pakistaanse regime werkte samen met de Verenigde Staten (VS) en leverde gevangengenomen ‘terroristen’ uit als gebaar van loyaliteit.

Echter, deze essentiële wending bleef grotendeels onderbelicht in de internationale pers. Die lieten het de lezers niet weten. 

Het was namelijk zo dat in plaats van deze toenadering te ondersteunen, de Amerikaanse regering een ander narratief koos: dat van oorlog.

Voor de VS was het te lastig te begrijpen dat ook onderlinge toenadering kon plaatsvinden in een land dat zij als terroristisch zagen. De torens brandden nog, zei een collega van de Amerikaanse minister van Defensie Donald Rumsfeld in een interview

Nog geen 24 uur na Karzai’s aankondiging, sloeg Rumsfeld daarom tijdens de dagelijkse persconferentie in het verre Washington D.C. het vredesinitiatief af en kondigde nieuwe troepen aan. Met slechts een paar woorden zorgde de machtige minister ervoor dat het verhaal uit het nieuws verdween. Er werd eigenlijk nooit meer over gesproken. De Amerikaanse pers koos dus ook voor de lijn van de Amerikaanse overheid.

Pas in 2021, toen de Amerikanen na twintig jaar het land werden uitgejaagd en hun betrokkenheid stopte, schreef The New York Times (NYT) iets over “Taliban en overgave”. Het artikel kreeg de titel Did The War in Afghanistan Have to Happen?’. Het vraagteken achter de zin toont echter aan hoe moeilijk het blijft om tegen het officiële narratief in te gaan, ook al was er meer bewijs gevonden in die twintig jaar.

Hoogopgeleid, elite en wit

Het ontdekken van dit verdrukte vredesverhaal zette ons ertoe aan om een academische masterproef en een doctoraat te starten om te onderzoeken welke bronnen in de Amerikaanse krant NYT en het Amerikaanse persagentschap Associated Press (AP) aan bod komen. Wie zevenhonderd artikelen per medium bestudeert en elke bron analyseert en categoriseert, ziet het duidelijk. Allereerst zien we bij de naamregel een homogene groep van journalisten de makers ontstaan: hoogopgeleid, elite en wit.

Bij de NYT was er één Afghaanse senior journalist, Mujib Mashal. Maar ook hij past door zijn achtergrond aan Columbia University grotendeels in hetzelfde profiel. Het team van persbureau AP leek diverser een van de belangrijkste journalisten groeide op in Afghanistan maar ook daar bleek dat ‘wat meer Afghanen’ niet het dominante narratief (masternarratief) aantasten.

Deze twee problematische ‘staff’ redacties waren vanaf het begin al gehandicapt om het conflict representatief te verslaan, iets wat nu ook is aangetoond. Ze interviewen vooral witte en Afghaanse elite stemmen. Bij AP is dat duidelijk de Amerikaanse ‘official’ of ‘officials’ (of NAVO en de Verenigde Naties) die nog steeds de meeste geloofwaardigheid geven. In het AP-verslag over twintig jaar Afghanistan krijgt de lezer 62 % westerse bronnen te horen. NYT lijkt op het eerste gezicht iets meer gebalanceerd in de keuze van de westerse versus Afghaanse bronnen (48 % is westers).

Maar wanneer we in de code ‘westers’ kijken, zien we net als bij AP een grote dominantie van elites of officials aan het woord. Zij werken voor de westerse overheden, hoofdzakelijk de Amerikaanse overheid, die de oorlog in Afghanistan beschouwt als een oorlog tegen terreur.

Als het gaat om Afghaanse bronnen, zien we in NYT geen diverse groep van civil society, tribale en religieuze leiders, studenten of academische experten die het verhaal complexer kunnen maken en meerdere perspectieven kunnen introduceren, zoals de overgave.

We zien dezelfde trend: de overgrote meerderheid van de geïnterviewden in NYT zijn geallieerden, de Afghaanse officials, die formeel als bondgenoten van de Amerikanen worden gezien, de uitvoerders van het zogenaamde War on Terror-beleid, met een dominantie aan defensiebronnen.

Als we het hebben over de oorlog, interviewen we dus het vaakst de militaire bazen in die oorlog. Afghaanse niet-officiële stemmen worden vooral opgevoerd als slachtoffers van zogenoemde terreuraanslagen, niet als experten die over hun eigen land kunnen spreken.

Als vergelijkbare patronen al een eeuw zichtbaar zijn in de journalistiek, wat zegt dat dan over de manier waarop nieuws wordt geproduceerd?

Een van de kerninzichten uit het proefschrift is dat de Amerikaanse journalistiek werd gevormd door homogene redacties van witte (mannelijke) elites, die voornamelijk andere witte, geallieerde elitebronnen spraken. In een samenleving met een grote arbeidersklasse en etnische diversiteit waren deze redacties daardoor structureel niet in staat die samenleving te representeren, en dus ook niet om journalistiek te bedrijven volgens hun eigen idealen. Dat blijkt al uit de Canons of Journalism (1923), die stellen dat ‘journalistiek moet communiceren wat mensen doen, voelen en denken’ en daarom een brede intelligentie, kennis en ervaring vereist en precies die breedte ontbrak in de praktijk.

In het decennium na de lancering van de ethische codes, zijn er vele studies geweest die het probleem van de ‘bemanning’ van de redacties aantonen. Bijvoorbeeld de gezaghebbende Amerikaanse mediawetenschapper Daniel Hallin in het verslag over de Vietnamoorlog: ‘het nieuws werd meestal geschreven vanuit D.C. (en niet Vietnam), de bronnen waren voornamelijk Amerikaanse elite bronnen (overheid, en dan vooral militair) en de verhaallijnen werden “geïndexeerd” op basis van wat de Amerikaanse overheid aanreikte.

Verhalen buiten de gewelddadige koude-oorlognarratieven waren onderbelicht geraakt, zoals de start van de Vietnamoorlog, en de rol van uitlokking door de Verenigde Staten zelf, iets wat de Amerikaanse defensieminister McNamara in 2003 toegaf in Wag the Dog.

Veertig jaar na de Vietnamoorlog en twee jaar na de ongedocumenteerde overgave van de Taliban, zien we eenzelfde eenzijdige verslaggeving in de Irakoorlog van 2003. Het lijkt een structureel probleem in de Westerse journalistiek te worden. Weer waren het nog steeds vooral witte, elite redacties die ‘gatekeeper’ speelden; hoewel er in de VS openlijk kritiek klonk en het steeds duidelijker werd dat er géén bewijs was voor massavernietigingswapens, vond deze informatie nauwelijks structureel haar weg naar de Amerikaanse nieuwspagina’s, laat staan naar de voorpagina’s.

Consensus, controverse of afwijkend nieuws

Gebaseerd op de Vietnamoorlog legt Hallin uit dat het Westerse idee van ‘een kritische journalist’ moet worden aangepast. In zijn Spheres of Consensus-model onderscheidt hij drie sferen van kritiek waarbinnen Amerikaanse journalistiek zich beweegt: de sfeer van consensus, de sfeer van legitieme controverse en de sfeer van ‘afwijkend’ of ‘deviant’ nieuws.

In de consensussfeer heerst brede overeenstemming tussen de vooral witte, eliteredacties met de Amerikaanse overheid, die is er vooral in de beginfase van een oorlog. De legitieme controverse wordt vaak gezien door de huidige Amerikaanse journalist zelf (vooral wit en elite) als hét domein van kritische journalistiek, maar eigenlijk is dit niet zo. Dat laat het Vietnam-onderzoek maar ook ons Afghanistan-onderzoek zien. Het blijft in feite binnen een beperkte bandbreedte: het tellen van burgerslachtoffers, het rapporteren over te veel of te weinig ingezette troepen, of de vraag of Amerika de oorlog aan het winnen of verliezen is.

Verhalen over de Afghaanse overgave in 2001 of niet-militaire oplossingen vallen daarentegen in de ‘deviant’-sfeer: ze worden als activistisch of complotgevoelig gebrandmerkt en daarom halen deze degelijke, belangrijke onderdelen van het verhaal zelden de voorpagina.

Ook analyses die suggereren dat Amerika de Vietnamoorlog zelf heeft uitgelokt in de jaren zestig, vallen buiten het zogeheten masternarratief van de Koude Oorlog. Op dezelfde manier wordt ook nauwelijks de vraag gesteld of Afghanistan wel überhaupt een oorlog was.

Dezelfde problemen met de witte, eliteredacties zien we terug in de verslaggeving over Israël, de bezetting en nu de genocide in Gaza. Deze redacties (met of zonder een Joodse familie die de krant leidt, zoals bij de New York Times) geven structureel voorrang aan Amerikaanse en/of de geallieerde stemmen (Israël) terwijl Palestijnse perspectieven vaak beperkt blijven of in negatieve termen worden weergegeven.

Uit onderzoek van academica Holly Jackson naar NYT blijkt dat tijdens beide Intifadas vooral Israëlische stemmen versterkt werden. Tijdens de Eerste Intifada (1987 - 1993) kwamen Israëli’s in 93 procent van de artikelen aan het woord, Palestijnen slechts in 40 procent. Bij de Tweede Intifada (2000 - 2005) was dat 49 procent. Ook Amerikaanse regeringsfunctionarissen kregen structureel ruimte, waardoor Israëlische en Amerikaanse narratieven samen het dominante kader bepaalden.

Deze cijfers roepen daarom vooral vragen op. Als vergelijkbare patronen al een eeuw zichtbaar zijn in de journalistiek, wat zegt dat dan over de manier waarop nieuws wordt geproduceerd? Waarom domineren telkens dezelfde soorten redacties en dezelfde soorten bronnen? Welke verhalen verdwijnen daardoor structureel uit beeld, zoals de Afghaanse overgave in 2001?

Als zulke patronen zich telkens opnieuw herhalen, dringt zich uiteindelijk ook een ongemakkelijke vraag op: gaat het hier om losse journalistieke keuzes, of vraagt het systeem waarmee nieuws wordt gemaakt zelf om fundamentele heroverweging?

Dit was het eerste luik van ons onderzoek: de verslaggeving in kaart brengen. Samen met het Tow Center Columbia heeft Bette Dam het project ‘Unheard’ gelanceerd (met steun van het Pulitzer Center) om een AI-tool te ontwikkelen die op grotere schaal bronnenonderzoek kan doen. Met deze data nemen we de volgende stap en nodigden we redacties uit tot introspectie samen met ons. Als u ons wilt steunen in welke vorm dan ook, contacteer ons via Bettedam@gmail.com

Bette Dam is journalist, doceert aan de École de Sciences politiques in Parijs en is auteur van ‘Op zoek naar de vijand’

Logo van het Fonds Pascal Decroos voor bijzondere journalistiek

Dit artikel kwam tot stand met steun van het Fonds Pascal Decroos voor bijzondere journalistiek
Met de medewerking van Gaya Kemous, Feruze Sarikas en Lieve Wijman

Word proMO*

Vind je MO* waardevol? Word dan proMO* voor slechts 4,60 euro per maand en help ons dit journalistieke project mogelijk maken, zonder betaalmuur, voor iedereen. Als proMO* ontvang je het magazine in je brievenbus én geniet je van tal van andere voordelen.

Je helpt ons groeien en zorgt ervoor dat we al onze verhalen gratis kunnen verspreiden. Je ontvangt vier keer per jaar MO*magazine én extra edities.

Je bent gratis welkom op onze evenementen en maakt kans op gratis tickets voor concerten, films, festivals en tentoonstellingen.

Je kan in dialoog gaan met onze journalisten via een aparte Facebookgroep.

Je ontvangt elke maand een exclusieve proMO*nieuwsbrief.

Je volgt de auteurs en onderwerpen die jou interesseren en kan de beste artikels voor later bewaren.

Per maand

€4,60

Betaal maandelijks via domiciliëring.

Meest gekozen

Per jaar

€60

Betaal jaarlijks via domiciliëring.

Voor één jaar

€65

Betaal voor één jaar.

Ben je al proMO*

Log dan hier in